Norbert Leijen met gemengde gevoelens terug uit Libanon

Bron: Texelse courant vrijdag 2 mei 2014. Door Joop Rommets.

‘Lekker zwemmen, een beetje sporten en in de zon liggen. Kortom: een vakantiemissie’. Dat was het beeld dat de 19-jarige Norbert Leijen en zijn maten kregen voorgeschoteld in een voorlichtingsfilm die dienstplichtigen moest verleiden te tekenen voor de vredesmacht Duchbatt. De werkelijkheid bleek minder mooi. Libanon was een kapotgeschoten land, waar je 24 uur per dag op je hoede moest zijn. ‘Echt bang ben ik maar één of twee keer geweest. Dat zal mijn kinderlijke onnozelheid zijn geweest. Later hoorde je steeds meer van collega’s met problemen. Dertig jaar na dato ken ik mensen die psychisch nog steeds helemaal vastzitten’.

Als dienstplichtig soldaat maakte de nu 50-jarige Leijen deel uit van de luchtdoelartillerie. ‘Het doel was paraat soldaat worden. Maar het enige dat je deed was op maandag je kanon uit elkaar halen en het op dinsdag weer in elkaar zetten. Donderdag haalde je het opnieuw uit elkaar en dan zette je het op vrijdag weer met een rotvaart in elkaar, zodat je op tijd naar huis kon’.

Na het zien van de promotiefilm over Libanon hoefde hij niet lang na te denken: hij tekende. De opleiding die hem op de missie voorbereidde, was summier. ‘Veel sport en instructie en zo af en toe ging het over Libanon. Weinig over de taal en gebruiken. Ja, je werd gewaarschuwd dat je naar een moslimland ging en dat je vrouwen er anders moest behandelen.

Dat was wel het zo’n beetje’.

Hongerend naar kennis, nam hij contact op met het Centrum Informatie en Documentatie over Israël. Na het bestuderen van ‘pakken papier’ kwam hij tot een voor hem verrassende conclusie. ‘De Israëliërs waren helemaal niet van die braveriken. Dat had ik niet verwacht, want van huis uit had ik altijd meegekregen dat het goed volk was’.

Het vliegtuig dat Dutchbatt naar Libanon bracht, landde in de kapotgeschoten hoofdstad Beiroet. Overal woedden branden, het verkeer was een chaos. ‘Er was wel vrede, maar het was duidelijk dat ze het niet allemaal met elkaar eens waren’ vertelt Leijen met gevoel voor understatement. ‘De volgende dag word je wakker in een land dat heel anders is dan je je had voorgesteld’. Hij laat een foto zien van de omgeving waarin de 160 manschappen tellende Charlie Compagnie werd gelegerd. ‘Je ziet het: kaal, grauw, grijs, niks’.

De Nederlandse soldaten opereerden in een door de Verenigde Naties gecreëerde zone tussen Israël en Libanon. ‘Die strook was ongeveer 30 bij 10 kilometer groot. Het vreemde was dat tussen ons en Israël nog major Haddad met zijn militie zat. Zij werden door Israël betaald en fungeerden als een soort buffer tussen ons en Israël’.

Haddad en zijn soldaten bereidden de Nederlanders een warm welkom. ‘Meteen op de eerste dag schoten ze vanaf zeventig meter op onze post: een roadblock (wegversperring, red.). Een dreigement. Niemand werd geraakt, maar leuk was anders. Je moet bedenken: ik was nog maar een jochie, op ’t Horntje opgegroeid. We waren allemaal jochies. Probleem was ook dat we eerst toestemming aan de legerleiding moesten vragen om terug te mogen schieten. Meestal schoten we eerst en vroegen we achteraf of het mocht. Maar eigenlijk mochten we alleen observeren en auto’s controleren. Verder was je machteloos. Dat was de frustratie van veel Libanon-gangers’.

Tot hun opluchting werden de verhoudingen gaandeweg beter. ‘Het waren heel aardige mensen. We ruilden wel spullen: zij kregen suiker, wij honing. We zijn nog eens bij één van die jongens thuis geweest. Dat mocht helemaal niet maar we deden het toch. We knepen ‘m wel, want het was meer dan een uur rijden. Wat als we een lekke band zouden krijgen/ Hoe waren we dan terug in het kamp gekomen?.

Dat ze inderdaad weinig van de militie te vrezen hadden, werd duidelijk toen een Nederlandse soldaat bij het roadblock werd aangevallen. “Een vent wilde hem zijn geweer ontfutselen. Het was heel bedreigend. Een collega en ik schoten te hulp, waarop die vent begon te schreeuwen. In het Arabisch. Later begrepen we dat hij naar de militie riep dat ze op ons moesten schieten. Maar dat deden ze niet. Die gasten waren onze vrienden. Handig, als je vijanden je vrienden zijn. We hebben die man ontwapend en laten gaan. We moesten wel. Later bleek dat het om Elie Hobeika ging, die verantwoordelijk was voor bloedbaden in de vluchtelingenkampen Sabra en Shatila. Daarbij waren zeker duizend slachtoffers gevallen, onder wie veel kinderen en bejaarden. Als we dat geweten hadden, hadden we hem onder een grote steen gestopt. Later kreeg hij zelfs zijn geweer nog terug. Frustrerend’.

Grote ergernis wekten de Israëliërs, die zelfs in de door Dutchbatt gecontroleerde grensstrook hun gezag deden gelden. ‘Ze gingen naar dorpen toe om belasting te heffen. Terwijl het niet eens Israëlisch grondgebied was. Over de radio stuurden ze ons boodschappen: We come te kill you….. Ze hielden luchtoefeningen boven ons hoofd en namen zelfs VN-posten over. Dan stuurden ze alle soldaten gewoon weg. Klerelijers eerste klas waren het’. Eenmaal terug kreeg post 7-13A, zoals het Nederlandse kamp heette, bezoek van een Israëlische colonne. ‘Pantservoertuigen, vrachtwagens, zwaar bewapend. Ze kwamen aan over het smalle weggetje dat naar ons kamp voerde. Als korporaal was ik op dat moment de hoogste in rang.

Wat moest ik doen? Achteraf heb ik wel gedacht dat ik voor zo’n tank had moeten gaan staan, net als die man op het Plein van de Hemelse Vrede in Peking. Dan hadden ze 150 meter achteruit gemoeten en dat was niet meegevallen. Ik het ze toch maar toestemming gegeven op ons terrein te draaien .Dat was fout. In Srobbeen, het Libanese dorp vlakbij, hadden ze het gezien. Ze dachten dat de Israëliërs onze vrienden waren. Ik heb heel wat moeten praten om uit te leggen dat ik geen keuze had. Uiteindelijk is het goed gekomen. Ik ben zelfs nog voor een bruiloft uitgenodigd. Dat kwam ook doordat ik ervoor gezorgd heb dat een jochie uit dat dorp kon worden geopereerd. Hij had een liesbreuk die zo groot was dat hij niet eens meer kon lopen’.

‘Dertig jaar na dato zitten collega’s nog steeds psychisch vast’

Terwijl Leijen zijn verhaal doet, schiet hij een paar keer vol. ‘Die onrechtvaardigheid, daar kan ik nog steeds boos om worden’, vertelt hij met vochtige ogen. ‘dat had ik in Libanon al. We verspeelden een keer een jeep. Mijn schuld, want de man achter het stuur had geen rijbewijs en ik had hem toestemming gegeven erin te rijden. Ik heb bekend en gezegd dat ik dat niet had mogen doen. Als straf moest ik mijn rijbewijs inleveren. Ik heb gezegd: Als dat moet, loop ik naar Israël en ga ik naar huis. Ik was ertoe in staat. Ze verweten me dat ik mensenlevens in gevaar had gebracht. Ik antwoordde: Dat doen jullie 24 uur per dag. Ik kreeg mijn rijbewijs daarna wel terug’.

Eenmaal thuis – hij verbleef een klein half jaar in Libanon – werd hij soms achtervolgd door het verleden. Toen bij de Ronde om Texel een Israëlische ploeg Catamaranzeilers in het zonnetje werd gezet, schreeuwde hij dwars door een volle feesttent ‘intifada’ naar het podium, Arabisch voor het Palestijnse verzet tegen Israël. ‘Af en toe ben ik er nog best emotioneel onder. Dat zal altijd bij me blijven’.

Zijn angstige moment beleefde Leijen overigens door toedoen van de vredesmacht zelf, die bij nachtelijke onrust vijf lichtmortieren afschoot. ‘Bedoeling was de omgeving in het licht te zetten, zodat ze konden zien wat er aan de hand was’. Door een fout ontploften de granaten 400 meter van de geplande locatie, waar Leijen net op dat moment in een jeep reed. Na het neerkomen van de eerste granaat zocht hij in paniek dekking onder een brug. ‘Ik ben heel bang geweest. De laatste granaat ontplofte op een rots, vlakbij me. Een vuurbol schoot onder de brug, vlak voor me langs. Toen heb ik wel even gedacht: Leef ik nog?’

Ondanks zijn frustraties is Leijen er psychisch nog vrij aardig afgekomen. Hij is gelukkig getrouwd met Carianne Timmer, samen hebben ze drie kinderen (Jiska, Finn en Mels) en hij heeft een leuke baan bij het hoogheemraadschap. ‘Het is toch nuttig geweest, wat we daar hebben gedaan. Dat blijkt ook wel uit verhalen van mensen uit het dorp, met wie ik een paar jaar geleden via Facebook contact heb gekregen. In de tijd dat wij er waren, was er rust, vertellen zij. Daarna zijn ze meerdere malen bezet geweest door Israël. De laatste keer zelfs nog in 2006’.

Als een genoegdoening voelen de Carnegie Wateler Vredesprijs en de Nobelprijs voor de Vrede, die in 1986 respectievelijk 1988 aan de missie in Libanons werden toegekend. Troost bieden de goede contacten met de collega’s van toen. ‘Een hele groep zie ik jaarlijks. Dat zijn echt vrienden geworden. We weten dat we op elkaar kunnen bouwen’.

Redactionele note:

De geschiedenis van de onrusten en oorlogen in het Midden-Oosten is complex en valt onmogelijk in een paar zinnen uit te leggen. Dat geldt ook voor de burgeroorlog die tussen 1975 en 1990 in Libanon woedde en waarin uiteenlopende milities met elkaar vochten. Vredesbesprekingen leidden maar zelden tot langdurig succes. Om de gemoederen tot bedaren te brengen, stuurden de Verenigde Naties internationale interventietroepen. Tussen maart 1979 en oktober 1985 verbleven bijna 9000 Nederlandse militairen in Libanon. Onder hen ook een tiental Texelaars

Spring naar toolbar