Bron: Texelse Courant, 14 mei 2014. Door : Joop Rommets

Ben Starink kritisch over missie naar Nieuw-Guinea

Twee jaar lang, in 1950 en 1951, diende Ben Starink (nu 84) bij de Koninklijke Marine in ‘de Oost’. Eerst in Soerabaj op Java, daarna in Hollandia op Nieuw-Guinea. Hoewel hij er nooit met oorlogshandelingen te maken kreeg, is het geen tijd waar hij met plezier aan terugdenkt. ‘Het was een politiek steekspel met de Verenigde Naties en de Verenigde Staten. En daar sneuvelden Hollandse jongens voor. Ik heb er later veel over gelezen en steeds meer het gevoel gekregen: wat zijn we belazerd’.

Het was vlak na de soevereiniteitsoverdracht eind 1949 dat hij naar de Oost werd uitgezonden. ‘We zetten een detachement van de Landmacht op Nieuw-Guinea af en voeren daarna zelf door naar Soerabaja. Ik werd er aan boord van een groot landingsvaartuig geplaatst. We ruimden de mijnenvelden op die de Japanners er hadden achtergelaten. Toen de internationale besprekingen stukliepen moesten we er weg. We hebben de machinewerkplaatsen leeggeruimd er zijn naar Nieuw-Guinea gegaan. Nederland had er een paar honderd jaar gezeten, mar je kwam terug in het Stenentijdperk. Het was één wildernis. De aanvoer van voedsel was heel slecht, er was nog geen vaste luchtverbinding. Terug in Nederland woog ik nog maar 63 kilo. We aten vooral uit blik. Hutspot, maar ook vlees. Net als tijdens de crisis, in die tijd van Colijn. Vlees in blik, waar je de moord in stikt’ declameert hij een oude socialistische slogan.

Met een vies gezicht vertelt hij dat er blikken bij waren uit een magazijn dat in brand had gestaan. ‘Als je er een priem in stak, spoot de rotzooi tegen het plafond. Dat spul werd gemengd met goede blikken, want we moesten het eten. Door de schaarste mocht niks verloren gaan. Bedorven was het misschien niet, maar goed was het ook zeker niet. Laat ik het zo zeggen: we gingen er niet dood van. We hadden brood waarvan je dacht dat het krentenbrood was. Maar als je erop klopte, vlogen de beestjes eruit. Het waren geen krenten, maar torren. Onze kok zei : Maak me maar matroos of iets anders, want hier werk ik niet meer mee’.

Vers voedsel heeft Ben er zelden gegeten. ‘Groenten werden er nauwelijks verbouwd. De Papoea’s leefden van de natuur. Ze aten vooral vis. Ik heb er ook krokodillen en pythons gegeten. Daar maakten we jacht op. Jongens hadden een keer een varken geschoten. Dat leidde bijna tot een oorlog met de Papoea’s. De hele kampong verscheen in volle oorlogsuitrusting, want het was hun varken en die zijn daar veel waard. Je kon er een vrouw kopen voor 26 schelpen, een varken kostte het dubbele. Onze commandant heeft, met een tolk erbij, heel wat moeten praten om het goed te maken’.

Soms werd voedsel aangevoerd door schepen die immigranten naar Australië hadden gebracht en op de terugweg de militaire kampen op Nieuw-Guinea aandeden. ‘Een keer kregen we vers fruit en vlees. Na drie dagen viel de koeling uit. In plaats van dat ze de rantsoenen verdubbelden, kregen we nog steeds maar één appel per dag. Dat was nu eenmaal het systeem. Maar het was er zo heet en vochtig, dat je er niks kon bewaren. Een oud KNIL-man met wie ik er in het hospitaal lag, zei een keer: Een aap kan hier nog niet leven, maar wij moeten het hoofd koel houden. Dat was zo, apen had je er niet. Een paar dagen later was alles verrot en konden we het voor de haaien gooien’.

Twee keer belandde Starink in het hospitaal. De eerste keer na een avondje in het militair tehuis. ; We kregen maar twee of drie biertjes. Alles was op rantsoen. Terug aan boord, zei een maat: Wat een klerezooi, laten we rondje gaan rijden. We gingen niet langs de wacht, want die had ons nooit laten gaan, maar via de trossen. Mijn maat was chauffeur van de commandant en reed een oude jeep. In de bergen vloog dat ding uit zijn versnelling, tegen en rots en over de kop. Toen ik bijkwam, hoorde ik iemand zeggen: Potverdomme, Ben is dood. Ik zei: ik ben niet dood, maar trek dat dinge eens een stukje omhoog, zodat ik er onder vandaan kan. Mijn been deed zeer en mijn kop zat onder het bloed. Verderop zaten we een lichtje branden. Tussen twee man in ben ik er naartoe gestrompeld. Er woonde een Hollands houtvester. Die man schrok zich rot, maar bleek bereid ons met zijn vrachtwagentje naar de haven te brengen’.

Aan boord werd zijn gezicht gehecht. ‘Maar de volgende dag had ik zo’n knie’. Hij houdt zijn handen een flink eind van elkaar. ‘In het militair hospitaal in Ifar ben ik geopereerd. Toen ik na zes weken terugkwam, met loopgips van mijn enkel tot boven aan toe, kreeg ik zittend werk te doen. Maar ik gleed van een ijzeren trap en viel in het ruim. Moest ik opnieuw worden geopereerd. Toen ik uit het hospitaal werd ontslagen, was Soekarno net met z’n eerste infiltraties begonnen. Ik moest mijn spullen van de boot halen, want ze konden me niet meer gebruiken. Aan de wal heb ik toen een tijd in een nisssenhut gewoon. Zo’n golfplaten geval dat nog door de Amerikanen was gebouwd. Later ben ik met het vliegtuig naar Nederland teruggebracht.

Hij werd geboren in een klein dorpje in de Achterhoek. ‘een industriestreek, maar ik voelde me geen mens om in de fabriek te werken .Kort na de oorlog kwam ik een officier van de koopvaardij tegen, die me de tip gaf: ga bij de marine, ze moeten een hele nieuwe vloot opbouwen en kunnnen je goed gebruiken. Ik werd goedgekeurd en mocht kiezen tussen de mariniers en de vloot. Ik heb voor zes jaar getekend en ben bij de vloot gegaan. ‘Tijdens een voortgezette opleiding artillerie in Den Helder leerde hij Gré Bakker, zijn inmiddels overleden Texelse vrouw, kennen. Ze trouwden na terugkeer uit Nieuw-Guinea in 1952, waarna hij op de Mok werd geplaatst.

Starink was niet het prototype van een soldaat. Met glimmende ogen vertelt hij voer die keer dat hij een disciplinaire straf kreeg, maar zich met het tuchtrecht in de hand zo goed verdedigde, dat zijn commandant zich gedwongen zag hem te rehabiliteren. ‘Dat vond die lagere officier die mij gestraft had helemaal niet leuk. Daarna moest ik nog meer op mijn tenen lopen, want hij bleef op me loeren. Achteraf is natuurlijk wel gebleken dat ik totaal niet geschikt was voor het militair apparaat. Ik was veel te lastig om hogerop te komen en ben altijd matroos tweede klas gebleven.

 

Terugblikken is Starink zeer kritisch over de militaire missie in Nieuw-Guinea. Om het voorzichtig te zeggen. ‘Veel veteranen hebben nog steeds problemen, omdat ze het gevoel hebben dat ze de Papoea’s in de steek hebben gelaten. Aar het was allemaal internationale politiek. Wij waren daar niet voor de bevolking, maar om belangen te beschermen, omdat ze bang waren dat Indië de communistische kant zou opgaan. Ik heb twee oudere broers. De één leeft niet meer, hij heeft nooit willen praten over wat hij heeft meegemaakt tijdens de politionele acties. Alles wat Hollander of halve Hollander was, was toen doelwit van e manschappen van Soekarno. De ander heeft er nog steeds nachtmerries van. Dat is toch vreselijk? Nederland had na de oorlog meteen de hele boel moeten opgeven. We zijn gewoon belazerd’.

Redactionele note:

Na een vier jaar durende onafhankelijkheidsstrijd werd Nederlands-Indië in 1949 een onafhankelijk land: Indonesië. Allen het westelijk deel van Nieuw-Guinea bleef nog jarenlang Nederlands eigendom. Als antwoord op infiltratiepogingen en de dreiging van een invasie door Indonesië stuurde  de regering nog in 1962 bijna 10.000 militairen om deze situatie te handhaven. Pas na zware druk van de Verenigde Staten werd de kwestie uiteindelijk diplomatiek opgelost. Op 15 augustus 1962 ondertekenden Nederland, Indonesië en de Verenigde Naties een vredesakkoord dat de overdracht van Nieuw-Guinea regelde.

Spring naar toolbar