Bron: Texel Courant, dinsdag 29 april 2014. Door: Joop Rommets

Chef-kok Adri de Wolf leerde koken op patrouille in Nieuw-Guinea

Hij liep er eindeloos patrouille met stokoude geweren, leerde koken, in afgedankte blikken boven kampvuurtjes en genas Papoea’s van ernstige zweren. Adri de Wolf (nu 77) vervulde zijn dienstplicht van 1958 tot 1959 in Nieuw-Guinea en beleefde er een prachtige tijd, waarop nog steeds vol genoegen terugkijkt.

Bij de landmacht wilde hij niet, want het verhaal ging dat ‘die zandhazen’’ zich meestal maar stierlijk verveelden. ‘Als ik dan toch in dienst moest, dan wilde ik wel wat doen ook’. Voor de keuze gesteld, liet hij zich na een opleiding van een jaar als marinier naar Nieuw Guinea uitzenden. Dat gebeurde mede op aanraden van zijn oudste broer Ko, die er als beroepsmilitair bij de marine al was geweest.

Nieuw-Guinea bleef na de onafhankelijkheid van Indonesië nog tot 1962 Nederlands grondgebied. Dat hij bij de mariniers ging, wil niet zeggen dat De Wolf het prototype van de vechtjas was. Grijnzend: ‘Ik werd ziekenverzorger. Die doen het minste kwaad in een oorlog en misschien zelfs wel een iets goeds’.

De heenreis was een belevenis op zich. ‘We reisden per vliegtuig, een Super Constellation. In burger en met maar zo’n vijftien mensen. Er waren een paar vrouwen bij, die met beroepsmilitairen waren getrouwd die in Nieuw-Guinea waren gelegerd. We hebben wel zes tussenstops gemaakt en overal heerlijk gegeten’.

Via Biak belandde De Wolf in Manokwari, na Hollandia de grootste plaats van het eiland. ‘Een flinke stad, maar wel heel uitgestrekt. Ruimte genoeg, hoge gebouwen had je er niet. ‘Rijk was de streek niet. ‘Tegenwoordig wordt er olie, steenkool en diamant gewonnen, maar in die tijd viel er nog niet zo veel te halen. De olie is er moeilijk te delven’.

Terwijl hun voorgangers er een decennium eerder nog net niet omkwamen van de honger, hadden De wolf en zijn collega’s goed te eten. Ze joegen op de herten die er ooit waren uitgezet. Daarnaast was volop verse groente verkrijgbaar. ‘Rond Manokwari zaten veel tuinders en boeren van Nederlandse afkomst. Daar waren veel oud-NSB’ers bij. In ruil voor strafvermindering waren zij er door Nederland naartoe getransporteerd om Nieuw-Guinea te koloniseren’.

Ziekenverzorger mariniers was soms ‘wonderdokter’

De Wolf kwam terecht in een kamp met een paar honderd manschappen en vijf ziekenverzorgers. ‘We kregen er een korte opleiding van dokter Dettingmeijer over het behandelen van typisch tropische kwalen, zoals schimmels, ringworm, tropenzak en tropenzweer. Schimmels kreeg bijna iedereen daar, ik zelf ook . Ze werden behandeld met jood salicyl. Dat deed ontzettend zeer, maar hielp wel.

Op gezette tijden was er spreekuur voor de plaatselijke bevolking. ‘Dan kon je nog wel eens de wonderdokter uithangen. Kwamen er mensen met framboesia, een soort zweren. Wij hadden al antibiotica. Dat hielp wonderbaarlijk. Met lepra konden we een stuk minder. Ik heb ook eens meegemaakt dat iemand uit een klapperboom was gevallen en een dwarslaesie had. Daar kon je natuurlijk niks mee. Er vlogen geen helikopters. En als ze er al waren geweest, dan hadden ze je uitgelachten als je had voorgesteld er een Papoea mee te vervoeren’.

Vaak moest hij op patrouille. ‘Soms wel drie weken achter elkaar. Als het licht werd, rond zes uur ’s morgens, gingen we op pad. Met een man of vijftien. Dan liepen we totdat het twaalf uur later weer donker werd. Ik heb me wel eens afgeraagd waarom we zo veel moesten lopen. Machtsvertoon, denk ik. Maar we kregen heel oude en slechte wapens mee. Semi-automatische geweren, die nog van de Geallieerden waren geweest. Je kon er niet eens mee richten. Als we liepen, zwiepten sommige lopen heen en weer. Gelukkig hebben we ze nooit hoeven gebruiken’.

Op patrouille gingen ook dragers mee. ‘Die werden geronseld in de kampong. Voor een bescheiden loon en een hap eten. Ze moesten onze spullen dragen en allerlei klusjes doen’. Enigszins beschaamd vertelt De Wolf niet altijd even vriendelijk met deze ‘koelies’ te zijn omgesprongen. ‘Ik heb ze wel eens overeind gevloekt, als ze moe waren en niet verder wilden. Geschopt of geslagen heb ik nooit. Maar achteraf heb ik wel spijt van hoe we die mensen behandelden.

Na zijn dienst werkte De Wolf een groot deel van zijn leven in de horeca. Twaalf jaar lang was hij chef-kok bij hotel Opduin. Daarna liet hij in Oosterend Rotisserie ’t Kerckeplein bouwen, dat hij zelf acht jaar runde, voordat hij het aan Heere en Ute Oosterhaven verpachtte (en later verkocht). De basis voor zijn culinaire carrière legde hij in Nieuw-Guinea. ‘Op patrouille kookte ik voor het hele spul. In afgedankte koffieblikken boven kampvuurtjes. Dat viel niet mee, want de bodems waren heel dun, zodat het snel aanbrandde’.

Op het menu stond vrijwel altijd rijst. ‘En verder een prutje van hachee in blik, gedroogde uien en tabletten van gedroogde bonen. Soms kon je er bananen bij krijgen, tomaten of prei. We namen ook wel blikken haring in tomatensaus en cornedbeef mee. Oude voorraden uit de oorlog, maar nog niet bedorven. Meestal niet, tenminste. We ontbeten altijd met Brinta, melkpoeder, suiker en koffie. In het kamp haalden we wel spullen bij de Chinees. Satésaus van Conimex bijvoorbeeld. Dat had je in Nederland nog niet. In de kampong kochten we soms een paar kippen. Die ruilde je voor een blikje zout. Met de taal kon ik me ook aardig redden. Ik sprak redelijk Maleis. Nog steeds trouwens. Dat verleer je niet’.

Tijdens het hele gesprek praat hij op een luchtige manier over zijn belevenissen. Niet zo vreemd, vindt hij zelf. Want hoewel de politieke situatie al gespannener werd, heeft hij er geen excessen meegemaakt. ‘We hadden af en toe last van infiltranten. Die landden op de kust met een prauw, maar werden meestal snel verraden door de plaatselijke bevolking. De meeste Papoea’s waren op onze hand. Ik heb maar één keer echt alarm meegemaakt. We waren met een man of vijftien met de Evertsen, een fregat, naar een eilandje vlakbij Sorong gebracht. We hadden de hele avond zitten kaarten en lagen net in onze kooi toen het alarm kwam. Er was een schip in aantocht. Het viel op dat niemand bang was. Terwijl je dondersgoed wist wat je te wachten stond als het mis ging. Daar hadden we genoeg oorlogsfilms voor gezien. Maar iedereen wist wat je moest doen. Ik heb mijn spullen bij elkaar gezocht – mijn karabijn, twee verbandtassen, wat te eten – en ben in een schuttersput gaan zitten. Ja, wat doe je dan? Ik heb het me maar gemakkelijk gemaakt. We hebben een paar uur verscholen gezeten. Toen bleek dat het vals alarm was. Een verbindingsman was bang geworden. Maar er was niks aan de hand’.

Terugkijkend bewaart De Wolf bijna louter goede herinneringen aan zijn naar in Nieuw-Guinea, waarin hij het tot marinier tweede klas schopte. ‘Niet slecht hoor, in die functie kreeg je toch bijna 25 gulden meer: 75 in plaats van 52’. Er was volop tijd om te ontspannen. ‘In de stad waren twee bioscopen en op de kazerne hadden we er ook één. Regelmatig gingen we naar de film. Na één uur ’s middags waren we meestal klaar met het werk en gingen we vaak naar een strandje. Koraal duiken, een beetje vissen, dat was fantastisch. We dronken er ook wel eens een biertje in het cafeetje van Angi, een Ambonees meisje. Zon, zee, zand, een mooi meisje, dan had je een prachtmiddag. Wat wil je nog meer? Nee, het was een mooie tijd, waar ik nog steeds met veel genoegen op terugkijk. Het enige dat ik nog steeds jammer vind is dat ik de kans heb laten lopen mee te gaan op een wetenschappelijke expeditie naar het Sterrengebergte. Dat was nog grotendeels onontdekt gebied, een witte vlek op de kaart. Ik was er voor gevraagd, maar ben teruggegaan naar Nederland’.

Met twee oud-collega’s die ook ziekenverpleger waren, heeft de in Den Hoorn wonende De Wolf sinds kort weer regelmatig contact. ‘Leuke gasten, toen al en nu nog. Eén was er tuinder. Het valt me op dat veel veteranen zelfstandigen zijn geworden. Ze zijn al een paar keer op Texel geweest. Gaan we een paar dagen varen met mijn boot. Hun vrouwen staan dan op de camping. Die vermaken zich ook wel’.

Grappig noemt hij het idee dat hij ‘de eerste De Wolf’ was die marinier werd.

Inmiddels heeft hij navolging gekregen van zijn twee neven. ‘Joost, de oudste zoon van mijn broer Ko, geeft nu zelfs leiding aan de missie van de Verenigde Naties in Mali‘.

Redactionele note:

Na een vier jaar durende onafhankelijkheidsstrijd werd Nederlands-Indië in 1949 een onafhankelijk land: Indonesië. Allen het westelijk deel van Nieuw-Guinea bleef nog jarenlang Nederlands eigendom. Als antwoord op infiltratiepogingen en de dreiging van een invasie door Indonesië stuurde  de regering nog in 1962 bijna 10.000 militairen om deze situatie te handhaven. Pas na zware druk van de Verenigde Staten werd de kwestie uiteindelijk diplomatiek opgelost. Op 15 augustus 1962 ondertekenden Nederland, Indonesië en de Verenigde Naties een vredesakkoord dat de overdracht van Nieuw-Guinea regelde

Spring naar toolbar